Als kind telde ik de dagen,
zomerse uren traag & zwaar,
elk minuutje een wereld,
elk moment een wonderbaar
De tijd liep langzaam langs de bomen,
zon in de lucht,
ik vind hem in mijn kleine handen,
ademde hem in met speels gezucht
Nu, volwassen, rennen de dagen,
zij glippen door vingers als zand,
de uren vervangen in vergaderingen,
de jaren tekenen lijnen op mijn hand
Toch soms, een middag, een glimlach,
een herinnering die plots vertraagt,
en voor eveen ben ik weer kind,
waar tijd een vriend was, geen jager, geen vraag